woensdag 31 december 2008

Bleke foto's uit een binnenzak


HET IS WEER DEZE NACHT


Het is weer deze nacht dat tractoren
Grommen in de achtertuin. Als hese honden
Naar mijn trommelvliezen grauwen. Het is weer
Deze nacht dat oeverloos snauwen een
Vuist slaat tegen de sterrenloze hemel. Er

Rouw wordt afgekondigd in verdwenen
Straten. Het is weer deze nacht dat namen
Tollen in de gaten van een schrompelend
Geheugen. Namen als oud textiel in jute
Zakken. Gedroomde namen soms. Het is

Weer deze nacht dat gezichten vergelen in
Kisten, verbranden in ovens, verteren
In aarde. En het is weer deze nacht dat
Ik taal hark, woorden schoffel, in mezelf
Brom, met een klap de luiken laat landen.

*

Het is weer deze nacht dat mijn vader zonder
Klop op de deur aan tafel komt zitten en ik hem
Jenever schenk. Hij gretig zijn eerste glas
Drinkt, een tweede gebaart, zijn stropdas
Ontknoopt en een sigaret opsteekt. Uit zijn

Binnenzak haalt hij bleke foto's, wijst naar
zichzelf en knikt. Ik herken de verleden man
Die zo dicht bij mij staat dat ik opnieuw verlegen
De dood van mijn schouders krab. Het is
Weer deze nacht dat zijn stem naar toon

En zoon zoekt. Iedere borrel is een slok
Toenadering, iedere sigaret een verlegenheid.
En als de fles geleegd is, de sigaretten gerookt,
Stapt hij terug in zijn nacht, blijf ik achter,
Terwijl daglicht tergend langzaam mijn ogen sart.

*

Het is weer deze nacht die om mij hangt
Als een natte loden jas, die mij ter aarde
drukt. Waarin ik wankel na een stortbui
Een huis bereik. Het is weer deze nacht
Dat herinnering als een scherp mes schaaft

En schilfers naar beneden dwarrelen.
Een sneeuw van zwijgen waarin doden
Miraculeus worden betast. Het is weer
Deze nacht dat dicht tegen mij huid zich
Vlijt en plooit. Ik je kus met dunne lippen.

Verleden tederheid zich spreidt. Het is
weer deze nacht dat regen drupt op de
Vloer van vroeger, almaar drupt, en het
Hoofd blijft liggen op het doordrenkte
Kussen en je zo moet huilen.


©
Hans van de Waarsenburg


Nieuwjaarsgedicht van Hans van de Waarsenburg, met vertaling in het Engels door Peter Boreas. Bibliofiele uitgave, met de hand gezet in de Claudius van Rudolf Koch en gedrukt op Magnanipapier door Hans van Eijk,
Bonnefant Press, Banholt/Maastricht, december 2008

Het is weer deze nacht verschijnt binnenkort in Van de Waarsenburgs nieuwe dichtbundel Wie hier nog komt, bij uitgeverij Wereldbibliotheek te Amsterdam (voorjaar 2009)

Onzin



TAST MET DE LOEP AF



Tast met de loep af

het geleefde leven en zie

geen litteken gesloten

wie heeft de onzin uitgevonden:

de tijd heelt alle wonden


© Lizzy Sara May




Uit: Lizzy Sara May Het depressionisme, Amsterdam, De Bezige Bij, 1988.

maandag 29 december 2008

Eén scherf is genoeg



DE ARCHEOLOGIE VAN HET HART


Hadden we maar meer dan één hart
verzucht hij. Konden we het afstoten
als een verwelkte bloem
maar we worden verscheurd en verdeeld.

Elk fragment heeft zijn plaats
troost de archeologe die graag in zijn ruïnes wroet.
Voor een lang verhaal heeft zij
aan een scherf genoeg.

Zij tulpt haar lippen
en blaast het stof weg
zoals zijn moeder blies
over zijn geschaafde knie.


©  Herman Leenders



Uit: Herman Leenders Vervalsingen, Amsterdam, Arbeiderspers, 2008

De zwaartekracht van vroeger


AARDAPPELKUNDE


Het was laat en het ging over de waarheid.
Essenties vind je in het kleinste meest gewone
zei iemand, zelfs een aardappel heeft zwaartekracht

het grootste wat ik deed in mijn leven tot dusver
was niet schreeuwen maar dag zwaaien, dagdag naar alles
wat verdween en begon, doden, kinderen, alles

verandert nu eenmaal, de thermodynamica stelt
dat chaos de regel is, alles beweegt
voortdurend van gaaf naar voor altijd kapot

hieruit leidt men het bestaan van de tijd af, vandaar
ook dat wuiven van mij, van ons – correctie
tot dusver is onzin, het verleden bestaat niet

vroeger is een gedachte, een maaksel, een aanschaf
dus ik heb niets moedigs gedaan, ik heb alleen
zojuist in het donker van de kast die mijn hoofd is

getast naar het vermeende eeuwige vanzelf
van vandaag gekochte knollen en daar dacht ik iets bij
wat ik nooit eerder bij precies datzelfde dacht.


Esther Jansma


uit: Esther Jansma Alles is nieuw, Amsterdam, De Arbeiderspers, 2005

Wat blijft



WEGGAAN



Als een auto die lang in de regen gestaan heeft
optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond achter
een plek die zich van de rest van de straat
onderscheidt, even nog, tot hij ook nat is
en niet afzonderlijk meer bestaat.

Dat is wat blijft als je weggaat.


© Anton Korteweg


Uit: Anton Korteweg Comfortabel ongelukkig (een bloemlezing met gedichten uit vier eerdere bundels, verschenen tussen 1982 en 1991), Amsterdam, Meulenhoff, 1999

Ander wetenswaardigs is er niet



’s NACHTS, AAN DE TELEFOON
(À meia-noite, pelo telefone)


’s Nachts, aan de telefoon,
vertelt ze me dat het bosje op haar venusheuvel blond is.
Ander wetenswaardigs
van haar lichaam geeft ze niet, noch van haar voorkeur.
Ze boudeert:
‘Als jij niet heel gauw hierheen komt
en ik ook niet naar jou toe kan rennen,
wát moet er dan van mij worden tot de ochtend?’

Dat weet ik ook niet, en ik zwijg.


Carlos Drummond de Andrade


uit: C. Drummond de Andrade De liefde, natuurlijk (gedichten) - vert. uit het Portugees door August Willemsen – Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1992

Rangschikking



PORSELEINEN TRANEN


Op een avond kwam ik aan
in de werkplaats, in het huis
van de hoekige dame
die ronde vormen maakt

van klei en aarde.
Ik zag wel vijftig
pοrseleinen tranen naast elkaar
οp de vloer gelegd en ze zei:

'Tja, ik weet het ook niet,
het gaat maar door.
Misschien als ik suja zeg of
tot honderd ga...'

Misschien, dacht ik,
als je ze rangschikt
naar Verdriet.


Gerry van der Linden



Uit: Gerry van der Linden Aan mijn veren hand, Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1993.
Ook in: Liefde kon maar beter naamloos zijn – 150 dichteressen voor Amnesty International. Bloemlezing, samenst. Daan Bronkhorst. Breda, De Geus, 2000.

zaterdag 27 december 2008

Maan, vertel me, wat doe jij daar aan de hemel?



Graaf Giacomo Taldegardo Francesco di Sales Saverio Pietro Leopardi (1798-1837) was een vooraanstaand Italiaans dichter, filosoof en taalkundige aan het begin van de negentiende eeuw.
Leopardi was een telg uit een adellijke familie in de Marche, een streek in Italië die zuchtte onder het strenge bestuur van de toenmalige pausen. Een leven lang leefde hij in onmin met de katholieke kerk "en de hier heersende hypocrisie".
Veel werk van Leopardi kwam terecht in zijn Canti ('gezangen', liederen).


Il tramonto della Luna (De ondergang van de maan) was het laatste canto dat Leopardi kort voor zijn dood schreef: in Napels, waar op dat ogenblik een cholera-epidemie heerste. De dichter verbleef er zijn laatste jaren, schrijvend aan zijn Pensieri (Gedachten). Een oogziekte en een algeheel zwak gezondheidsgestel plaagden Leopardi tot aan zijn dood. Internationale bekendheid heeft zijn gedicht L'infinito (Het oneindige) verworven.

vrijdag 26 december 2008

Landschappen

















- klik voor vergroting -


LEO HERBERGHS

in : Landschappen (met foto's van John Claassens), eindejaarsuitgave, Heerlen december 2008

Winter


eindelijk zag ik dat alles voorbij
zou gaan als deze dag boven
land dat ik lief heb


ik zeg niet dat dat erg is
ik zeg alleen wat ik dacht
te zien


- Rutger Kopland, Winter (fragm.), in Tirade nr. 124, april 1967

woensdag 24 december 2008

Of er iets is, vraagt ze


POLSKIE TANGO


De houten uitbouw van het dorpscafé.
Daarbinnen de gietijzeren kachel, die
Vuur ademt, was droogt, sterren droomt.
Daar zingt zij tango’s. Haar stem krast

Uit de grijze groeven van de grammofoon.
Of er iets is, vraagt ze en likt zijn oorlel.
Hij kust haar vingers en houdt haar als in
Een Polskie Tango zo vast, dat lijven zich

Hechten, haar kuitbeen oplicht, zich bloot
Geeft. Peperwodka’s worden besteld. Mijn
God, de tango is geen mars voor oorlog.
Dit is voetstaps sluipend gaan, in ongrijpbare

Tijd. Dit is lieflijk falset zingen in donkere
Glazen. Dit is een stil zetten van jaren,
Omdat de doden nog leven. In het dorpscafé
Een glas drinken, luisteren naar haar,

Die dronkaards kust, troost biedt, steels
Een knopen gulp aait. Waar tranen zoutkristallen
Worden. De hand aan het gemoed slaat.
Zwarte Madonna, mag ik deze dans van U?

© Hans van de Waarsenburg


POLSKI TANGO

Der hölzerne Vorbau der Dorfkneipe.
Drinnen der gusseiserne Ofen, der
Feuer atmet, Wäsche trocknet, Sterne träumt.
Dort singt sie Tangos. Ihre Stimme kratzt

Aus den grauen Gravuren des Grammophons.
Ob etwas sei, fragt sie und leckt sein Ohrläppchen.
Er küsst ihre Finger und hält sie wie in
Einem Polski Tango so fest, dass Leiber

Verschmelzen, ihr Wadenbein sich hebt, sich
Entblößt. Pfefferwodkas werden bestellt. Mein
Gott, der Tango ist kein Marsch in den Krieg.
Dies ist schrittweiser Schleichgang, in unfassbarer

Zeit. Dies ist lieblicher Falsettgesang in dunklen
Gläsern. Dies ist ein Anhalten der Jahre, denn
Die Toten leben noch. In der Dorfkneipe ein
Gläschen trinken, ihr zuhören,

Die Betrunkene küsst, Trost spendend, heimlich
Mit warmen Fingern im Schritt. Wo Tränen Salzkristalle
Werden. Die Hand ans Gemüt sich legt.
Schwarze Madonna, darf ich um diesen Tanz bitten?


Uit: Hans van de Waarsenburg So treibt die Insel/ Zo drijft het eiland, tweetalige keuze uit zijn gedichten, in het Duits vertaald door Marinus Pütz, met een voorwoord door Cees Nooteboom.
Verlag Ralf Liebe, Weilerswist-Köln, 2008

dinsdag 23 december 2008

Epitaaf

OP HET MARMER VAN JE BILLEN
(No mármore de tua bunda)



Op het marmer van je billen heb ik mijn grafschrift gegrift.
Nu wij uit elkaar gaan, behoort mij mijn dood niet meer toe.
Jij nam die mee.


Carlos Drummond de Andrade (1902-1987)


uit: C. Drummond de Andrade De liefde, natuurlijk - vert. uit het Portugees door August Willemsen – Amsterdam/Antwerpen, Arbeiderspers, 1992

zondag 21 december 2008

Een raam in de elleboog


DE HEMEL legt zijn blauw papier over
je luchtige jurk: een bijna doorzichtig
begeren. Jij balanceert de zomer
met je hand in je nek, in je elleboogholte
slaat een raam open. Misschien kwam de liefde
daar doorheen gevlogen en hing de tijd
aan de wilgen. Ik neem je portret
van de muur, leg het in mijn woorden.
Het glas is van buiten beslagen,
van binnen.


Jürgen Nendza



DER HIMMEL legt sein blaues Papier über
dein luftiges Kleid: ein fast transparentes
Begehren. Du wiegst den Sommer
mit der Hand im Nacken, in deiner Armbeuge
öffnet sich ein Fenster: Vielleicht kam die Liebe
da durchgeflogen und hing die Zeit
an den Nagel. Ich nehme dein Bild
von der Wand, lege es in meine Worte.
Das Glas ist von auszen beschlagen,
von innen.


Uit: Jürgen Nendza Flugtöne/Vlieggeluid - vertaling Ard Posthuma - gedichten in het Duits en het Nederlands, met een nawoord van Alexander von Bormann. Maastricht International Poetry Series 2008, uitgave i.s.m. Verlag Ralph Liebe, Weilerswist/Köln

Decemberkaart




KERSTMENU


Fiks gekruid prijken ze, oudoom Haas
& oudtante Patrijs
op het kerstdiner. Verre familie van weleer

Bloed-
verwanten, aangeschoten, bij bosjes
in de ochtendmist

Onsterfelijken
plots onderhevig
aan de zwaartekracht
en lang zo o n s t e r f e l ij k niet meer!

December. Ze noemen je Monsieur
Chablis
Je ontkurkt een
premier cru
gooit knoestig lijkjes van oude liefdes
op het vuur…

O, met voorheen hun gave lendenen
een
Goed Gesprek
nu
, op dit late uur!

Maar de Dames gaan in vlammen op
December
De Dood moet op het spek gebonden

(de fazant) (de haas) (het hert) (het everzwijn)

En het ijsdessert :

een Mensenzoon
geboren

in bittere koude

uit een Maagd

Gelukkig Kerstfeest !
Bonne Année





© Manuel Kneepkens

donderdag 11 december 2008

Papierzak of slaaplamp?

Het schaap heeft slaap
en de koe is moe
Het paard kijkt
over het prikkeldraad
en denkt het is al laat

woensdag 3 december 2008

Aanhalingstekens


JONG LANDSCHAP
(met Van Ostaijen - citaat)




Wakker worden in de asbak

Oksels en leer
De smaak van sokken

Rondjes lopen onder tandenpoetsglas
Alles wat ik zie

Is uitzicht met ruitenwissers

Gebroken groen, huiskamerkoeien
Ruilverkaveling en spellingvereenvoudiging

De typische cakedoosvorm van het dijkdorp

Drie keer achter elkaar
Zegt iets
Ik wil naar buiten

Mijn hart springt op
De was smelt in mijn oren

Dan regent het aanhalingstekens

"Buiten”: een glazen baksteen
In een transparante muur

"Over de randen van mijn handen
tasten mijn handen
naar mijn andere handen
onophoudelijk”



© K. Michel




Uit: K. Michel Waterstudies, Amsterdam, Meulenhoff, 1999

maandag 1 december 2008

Meestal onder de tafel


VADER


We zijn vele jaren en enkele maanden verder.
Ik ben nu die man, die jij geweest had
Kunnen zijn, levend. Hetzelfde buikje,
Golfslag op het nauwelijks kalende hoofd,
Dat voortdurende zwijgen, de voeten op tafel
En altijd tranende ogen. Je glas. Ouder.

Waar we ook waren, was er afstand, was er
Nurkse koppigheid. Je schopte je oudste zoon,
Waar je hem raken kon: enkels, kuiten, schenen.
Meestal onder de tafel of in de kerk.
Onzichtbare pijniging tot de soep sprak.
Dat soepele slurpen begon.



© Hans van de Waarsenburg





VATER

Wir sind viele Jahre und einige Monate weiter.
Ich bin nun der Mann, der du hättest gewesen
Sein können, lebend. Dasselbe Bäuchlein,
Wellenschlag auf dem kaum kahl werdenden Kopf,
Das anhaltende Schweigen, die Füße auf dem Tisch
Und immer tränende Augen. Dein Glas. Älter.

Wo auch immer wir waren, es gab einen Abstand, es gab
Mürrische Sturheit.Du hattest deinen ältesten Sohn getreten,
Wo immer du ihn treffen konntest: Knöchel, Waden, Schienbein.
Meistens unter dem Tisch oder in der Kirche.
Unsichtbare Peinigung bis die Suppe sprach.
Das flüssige Schlürfen begann.






"...schaamteloze grootspraak en retoriek..."
"...iemand die een luide toon niet uit de weg gaat..."

- Cees Nooteboom ('En bij mij is dat een compliment') op het achterplat over het werk van dichter Van de Waarsenburg


uit: Hans van de Waarsenburg So treibt die Insel/ Zo drijft het eiland, tweetalige keuze uit zijn gedichten, in het Duits vertaald door Marinus Pütz. Met een voorwoord door Cees Nooteboom. Verlag Ralf Liebe, Weilerswist-Köln, 2008

zondag 30 november 2008

Het latwerk van een woord



LIEFDESWOORD




liefde is zo'n dun woord
voor wat drieëentwintíg jaar tussen man
en vrouw ligt – dun armzalig woord

kijk hoe weerloos begint de letter l
(zonder de steun van alleen)
kijk hoe ijl klieft de ie
hoe achter het ruisen van l en f
(twee rietstengels snipperend in de wind met i)
hoe moeizaam tand-en-lip door f zijn overgave
terugschakelt naar tand-en-tong
in de dompelende dofdode d
en terugvalt
terugvalt
naar ontronde, onteerde, ontroerde [ə]

lief-[də]
liefde

tussen de ruisende fricatieνen
flikkert geen beschadiging
geen afranseling van dromen
geen bronstig hert in dorre streken
geen dolk begraaft zich in een rug

liefde is zo'n pover woord
voor wat wij hier hebben
wij hijgen door dezelfde strot
wij teren aan dezelfde klier
we bestaan niet apart van elkaar
we schijten samen

en om alles te bekronen
is het latwerk van het woord liefde
geen aanduiding
dat we elkaar tot bloedens toe bevechten
en bevelen en elkaar al bloedende
te gronde verachten en beminnen


© Antjie Krog

Uit: Antjie Krog Kleur komt nooit alleen - uit het Zuid-Afrikaans vertaald door Robert Dorsman - Amsterdam, Podium, 2002

Als er al een afscheid is




OVER DE VELDEN

(voor Seamus Heaney)*




Over de velden, voorbij het midden
Van het leven, de schimmen van de paden.
Het verlopen van het zure middaglicht.
Met een veer in de keel en zicht op

Traag tuimelen. Over de velden schrijdt
Het woord zo langzaam, dat de klank
Verdwijnt, oplost in de nevel boven
Stoppelvelden. En de wandelaar? Hij

Tuurt over de velden naar tanende
Horizon. Probeert uit zijn schaduw te
Stappen, terwijl het donkert rondom
Het hoofd. De doden ritselen tussen

Herfstbladeren of rusten op de takken
Van het verleden. Als er al een afscheid is,
Laat het dan nog duren en breng ‘hout
Naar de bossen en turf naar de venen’.



© Hans van de Waarsenburg


* Geschreven na een gezamenlijke wandeling en een bezoek aan Thoor Ballylee, Gort, Co. Galway.



ÜBER DIE FELDER

Über die Felder, vorbei an der Mitte
Des Lebens, den Schatten der Pfade.
Der Verlauf des sauren Mittagslichts.
Mit einer Feder im Hals und Blick auf

Träges Taumeln. Über die Felder schreitet
Das Wort so langsam, dass der Klang
Verschwindet, sich auflöst im Nebel über
Stoppelfeldern. Und der Wanderer? Er

Starrt über die Felder auf den sinkenden
Horizont. Versucht, aus seinem Schatten zu
Treten, während es dämmert um
Den Kopf. Die Toten rascheln zwischen

Herbstblättern oder ruhen auf den Zweigen
Der Vergangenheit. Wenn es schon einen Abschied gibt,
Dann lass ihn noch dauern und trage "Holz
In die Wälder und Torf ins Moor."




Uit: Hans van de Waarsenburg So treibt die Insel/ Zo drijft het eiland, tweetalige keuze uit zijn gedichten, in het Duits vertaald door Marinus Pütz. Met een voorwoord door Cees Nooteboom. Verlag Ralf Liebe, Weilerswist-Köln, 2008


Oorspr. verschenen als slotgedicht - en later op affiche -  in Hans van de Waarsenburg Beschrijvingen van het Meer, Rotterdam, Bèta Imaginations, 2000

dinsdag 25 november 2008

Groeven


DE PIJNBOOM EN HET HIJGEN



Elke ochtend zijn de groeven in de stam vers,
dierlijker

Overdag moet het zich ingegraven hebben,
houdt het zich opgerold onder ons schuil
tegen het licht, klauwtjes over de borst gevouwen

In het avondlicht zwelt een roze wolk

We lossen elkaar af bij de vuren

Voor wie van ons
opent het rekt het
stulpt het zich
zacht jammerend uit -





© Peter Verhelst




Openingsgedicht uit:
Peter Verhelst Nieuwe sterrenbeelden,
Amsterdam, Prometheus, 2008.

 
 
Omslag: het schilderij Paolo en Francesca van Ary Scheffer (1795-1858). Dit liefdespaar is in Dantes Goddelijke Komedie symbool voor de onmogelijke liefde die maar niet bekomen kan van de werveldwind die hun passie is.

vrijdag 21 november 2008

Het geheim heeft maar één naam



ODE AAN DE VREUGDE



Liefde, als er geen hoop meer is:
alleen dat is liefde.

Lanceer een nieuwe radiosonde,
als tien al zijn neergestort,
neem tweehonderd konijnen

als honderd al zijn doodgegaan:
alleen dat is wetenschap.

Je vraagt naar het geheim.
Het heeft maar één naam:
opnieuw.

Op het laatst
draagt de hond in zijn bek
zijn beeld in het water,
nagelen mensen de nieuwe maan,

ik hou van jou.

Als kariatiden
torsen we op geheven armen

de granieten tijd

en verslagen
zullen we altijd winnen


© Miroslav Holub


Uit: Miroslav Holub De geboorte van Sisyphus - een keuze uit de gedichten en andere
teksten 1958-1998, samengesteld en uit het Tsjechisch vertaald door Jana Beranová,
Amsterdam, De Bezige Bij 2008

donderdag 13 november 2008

Polders, duinen


VOGELGIDS





Dit boek vertelt wat mensen in ze zagen:
kneu, tapuit, paapje, wielewaal.
Voorouders wijzend, roepend op het veld
tot het juiste woord langs vliegt, ze knikken,

namen zijn gedeeld gevoel.

Pinksterfeest na pinksterfeest: klauwier,
hop, smelleken, wouw, smient, dodaars.
IJsvogel, buik vooruit, als vlam biddend
boven blijde gerimpelde koppen.

Daarom vogels kleuriger afgebeeld dan het grauw
gescharrel buiten, makkelijke prooi zo
voor de vrienden van blz. 96 en verder:
havik, sperwer, valk, valser geschminkt

dan Judas in het passiespel.

De vogelgids heeft mij ver gebracht. Polders.
Duinen. Limburg. Ontmoetingen. Liefde.
Soms zie ik nog iets vliegen dat op
een bladzij uit de vogelgids lijkt.


 
© Rouke van der Hoek


 
Uit: Rouke van der Hoek Het magnetische noorden Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2001

woensdag 12 november 2008

Ontdooi mij


STAAND
*




Versteend sta ik op deze aarde
met lange rok en omslagdoek
die hij strak rond mijn borsten
speldde, omdat dat van de wereld
moet. Zo ben ik opgevoed.

Mijn ogen hebben iris noch pupil.
Dus kijk ik maar naar binnen, wil
al wat buiten voorvalt binnen horen.

Van wat ik waarneem ligt rondom
mijn mond een lach bevroren,
die daar maar vriezen blijft. Ontdooi me,
tooi me met een hoed van bloemen
en lange stengels in m'n lijf.


© Hester Knibbe


*) Gedicht bij vaas in de vorm van een staand meisje, Lokri (Zuid-Italië), midden zesde eeuw v. Chr.




Uit: Hester Knibbe Een bittere navel Baarn, De Prom, 1997

maandag 10 november 2008

Ontzet


KNOPENDOOS



Ze stonden recht als gasvlammen
op zolder rond de koude haard.
Beneden knapten nog graven open.
Op de trap verdrong zich dat het kraakte.
Verwarde stemmen: ‘Knopendoos!
Kijk in de knopendoos!’ Dat werd geroepen.
Een kinderlichaam door groei ontzet
lag onbeweeglijk in zijn bed.


© Tonnus Oosterhoff


Uit: Tonnus Oosterhoff  Boerentijger, Amsterdam, De Bezige Bij, 1990

zondag 12 oktober 2008

Ziekte


VOOR JAN ARENDS




Voor mij
is angst
een
ziekte

daardoor
ben ik
nergens
bang voor

maar wel
bijna
overal
ziek van



© Ingmar Heytze



Uit: Ingmar Heytze De Allesvrezer, Utrecht, Kwadraat, 1997

woensdag 1 oktober 2008

Omkijken


EEN GESPREK




"Waar zullen wij afscheid nemen?
"In de regen"
"Zullen wij schuilen?"
"Nee!"
"Hoe zullen wij ons voelen?"
"Ziek, vals en verlegen."
"Wat zullen wij zeggen?"
"Wij zullen het niet weten."
"Wat zullen wij denken? "
"Was het maar gisteren, morgen of nooit."
"Zal een van ons gelijk hebben?"
"Geen van ons zal gelijk hebben."
"Zullen wij elk een andere kant op gaan?"
"Wij zullen elk een andere kant op gaan."
"Zullen wij omkijken?"
"Een van ons zal omkijken. Stilstaan, aarzelen en omkijken."

Zo spraken ze tegen elkaar, telkens weer
opnieuw.
Maar zij vroegen nimmer wie. Wie
zou omkijken. Wie.




© Toon Tellegen



Uit: Toon Tellegen Mijn winter, Amsterdam, Querido, 1987

maandag 29 september 2008

Bed met gele lakens



DE STRANDJURK OPLICHTEN


Voorzichtig. Omzeil de verrukking, dat zinkt toch maar als reumatiek
het gebeente in. We heffen aanvankelijk de jurk tot op de heupen slechts.
De maan fonkelt maanlicht op je naakte dijen. ‘Een waarheid,’ fluister ik
‘herhaalt zich niet’ & ‘je trekt mij als het trekken van de maan.’ Stilte.


Het droge zand schelpt je nog omstandig haar nee maar de weerstand
in de scène is een kronkeling van eerdere acteurs, het ritmische breken
van de bruisende golfslag wil al dat springtij van ons, een hoogwit ruisen,
het kabaal, namelijk, van de stilte beukend op het witte, mensvreemde strand.


“De verbeelding zet zich door het vel heen aan het vlees.”
Een verstrengeling van lichaam vindt plaats meestal 's nachts,
de verstilde klomp van het rozige hunkeren, het sensuele
verrimpelt delicaat het strakke dagkleed van de verwensing.


Ik giet je huid & lippen in de kom met ontbijtgranen. Dat bed, dat daar
met de gele lakens, dat lees ik je in als de lopende code van ons verlangen.


© Dirk Vekemans

in: De Gids, augustus 2008.

zaterdag 20 september 2008

Opzien


Biechten aan de muis van zijn hand.
Hij sputtert broodpap. Wat hem voedt
wordt geklauter langs de boordknoop.
Verdonkeremaant de guppen van deze
week. De vilder is ouder en meer moe
dan menig hoornvlies op zijn plank.
Dat wil hij ook. Niet als kluizenaar,
dat zou onvoldoende zijn. Hij zoekt
een diepere slaap. Thesaurus in het
onderdek. Opzien tegen magere jaren.


© Marc Kregting



Uit: Marc Kregting Kopstem/Stopnaald - gedichten, verhalen. Amsterdam, Prometheus, 1997

donderdag 11 september 2008

Hoe machteloos lief




STERFBED


Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.


Jean Pierre Rawie

Uit: Jean Pierre Rawie Verzamelde Verzen, Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker, 2004.
Oorspr. in: Onmogelijk geluk (1992).

maandag 1 september 2008

Waar het kwaad niet kan komen


KLEINE PASTORALE




In D. heerst de rust van een nacht op het land.
De inwoners slapen. De schoorstenen stomen
hun zweetlucht naar buiten, het blaffen der honden
verstomt. De lijven draaien zich nog eens om,
hun kleine lusten steken de kop in dromen.

In dit dorp, waar het kwaad niet kan komen,
rust zacht de hand, luiert de pols op de rand van
het bed, sluipt de weemoedige wesp langs
het laken omhoog, bevuilen de luizen
de eens zo blanke agenda.

Lazarus lepelt de wacht zijn eieren uit,
totdat hij zich wakker zal braken.
Aan de muur een verouderde kaart van Europa.





© Juliën Holtrigter



Uit: Juliën Holtrigter Omwegen Zoetermeer, Mozaïek/Boekencentrum, 2001

vrijdag 29 augustus 2008

Zonder slot




Een foto van 11 september



Ze sprongen uit de brandende etages naar beneden -
een, twee, nog een paar
hoger, lager.


Een foto hield ze levend tegen
en bewaart ze nu
boven de aarde naar de aarde toe.


Elk van hen is nog een geheel
met een persoonlijk gezicht
en bloed dat goed verborgen is.

Er is tijd genoeg
voor het haar om los te waaien,
voor de sleutels en het kleingeld
om uit de zakken te vallen.

Ze zijn nog steeds in het bereik van de lucht,
binnen de kring van de plekken
die net zijn opengegaan.

Ik kan maar twee dingen voor hen doen -
die vlucht beschrijven
en geen laatste zin toevoegen.


© WÍSLAWA SZYMBORSKA


Gedicht geschreven naar aanleiding van de beelden van de brandende en instortende Twin Towers op 9/11 (nine-eleven), 11 september 2001, de dag dat New York en andere Amerikaanse steden werden getroffen door moslim-zelfmoordcommando's die "het decadente westen" aanvielen met gekaapte vliegtuigen die zich in hoge gebouwen boorden. De terreurdaad, die de wereld schokte, kostte bijna 3.000 mensen het leven.
Nine-eleven werd het begin van een verslechterde verhouding tussen de moslimwereld en het westen en het sein voor westerse invallen in Irak en Afghanistan.

Uit: Wíslawa Szymborska Het moment (Chwila), Amsterdam, Meulenhoff, 2003.
- vertaling: Gerard Rasch -


Szymborska (1923), de grande dame van de Poolse literatuur, kreeg in 1996 de Nobelprijs.
Rasch ontving in 1997 de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertalingen van diverse Poolse schrijvers, in het bijzonder voor de vertaling van het verzameld werk van Bruno Schulz.

Met dank aan www.biblioweb.nl

vrijdag 8 augustus 2008

Zo denken dieren


ZOALS


Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor

en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling,

zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt

en pas als je het hebt, weet wat het was,

zoals je soms een pakje ergens heen brengt

en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,

dat je te licht bent, zoals je je, wachtend,

minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens

maar toch het meeste wachtend bent,

zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging

en je een geur te binnen schiet bij wijze van

herinnering, zoals je weet bij wie je op alert

en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen,

zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.


Judith Herzberg


Uit: Judith Herzberg Zoals, Amsterdam, de Harmonie, 1992

Op een schop



Voor mij was glück auf
een nachtgroet, in het donker
gesproken door mannen

voor hun behoefte zittend
op de schop terwijl muizen
brood uit hun jaszak vraten

geen treffender beeld
voor de komende slaap
wanneer ik in bed

mijn vader groette
voor hij de deur sloot.



WIEL KUSTERS


uit: Kerkraadse gedichten, Tirade, 1976

maandag 4 augustus 2008

Stoet van uitgewiste namen


21 november 1981

Je liep daar naast mij in je gouden jack.
Ik liep je nog te leren kennen,
jij moest nog aan de oorlog wennen
die ik nog niet had afgelegd.

Wij gingen tegendraads de mensen tegemoet
die als een kalme waterval
vanaf de hoge bruggen kwamen.
Het was de allereerste stoet
die ik ooit zag waarin de namen
van allen waren uitgewist
en waarin elk gezicht
toch toebehoren bleef
aan wie daar samen waren.

Geen leus kwam uit de vele monden,
alleen ging keer op keer de donder,
de zachte donder van de vrede door
de gelederen die niet marcheerden.

Wij gingen stroomopwaarts over de Rozengracht,
legden soms aan en dronken om de naam
likeuren die op andre dagen
te zoet zijn zouden voor een keel
die meer op rauw geweld
was ingesteld, maar die nu mede
te fluisteren begon, wat
allengs aanzwol tot de donder,
de zachte donder van de vrede.

Jij stond daar naast me in je gouden jack.
Het oproer bleef uitbundig stromen.
Ik heb mijn ransel afgenomen
en achteloos opzijgelegd.

J. EIJKELBOOM

uit: Jan Eijkelboom (1926-2008) De gouden man.
Amsterdam, Arbeiderspers, 1982

Leven van het gemis



GEDACHTEN



"We waren gemaakt van elkanders gemis."
"Wij leefden in gedachten
En dachten dat wij leefden."



Leonard Nolens



Uit: Leonard Nolens Derwisj. Amsterdam, Querido, 2003

donderdag 31 juli 2008

In de donkere kamer



BIJ EEN OUDE FOTO



dertig was ik
(in 1963 was ik niet lelijk)
de vrouw die me fotografeerde zei:
nu moet je aan mij denken
ontspan je lippen

een gescheiden vrouw
met vier aardige katten
maar even dominerend
als mijn Duitse hospita
dus hield ik flink afstand

ze had een donkere kamer
waarin ze mij heeft ontwikkeld
zelfs uitvergroot
(later ingelijst
hoelang heb ik op haar buffet
gestaan?
wat heeft ze ernaar starende
gedaan?)

onlangs toonde ik iemand
die foto
hij vroeg:
is dat je zoon?


© FRANS POINTL


Uit: Frans Pointl Het Albanese wonderkind. Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1991

Een ziekte van ons denken



DE NATUUR BESTAAT NIET



Op een buitensporig duidelijke dag,
zo'n dag waarop men zin heeft veel gewerkt te hebben
om daarop juist niet te werken,
zag ik een glimp, gelijk een weg tussen de bomen,
van wat wellicht het Grote Geheim is,
dat Grote Mysterie waarvan de onechte dichters spreken.

Ik zag dat er geen natuur is,
dat natuur niet bestaat,
dat er bergen zijn, valleien, vlakten,
dat er bomen zijn, bloemen en grassen,
dat er rivieren zijn en stenen

maar dat er geen geheel is waartoe dit behoort,
dat een ware en werkelijke samenhang
een ziekte van ons denken is.

De natuur is delen zonder een geheel,
dit is misschien dat zogenaamd mysterie waar ze over praten.

Dat is wat ik zonder denken of bij stilstaan
inzag dat de waarheid zijn moest, de waarheid
die iedereen uit vinden gaat zonder te vinden
en die ik alleen, omdat ik niet uit vinden ging,
gevonden heb.


Fernando Pessoa





Uit: Alberto Caeiro* (heter.)/ Fernando Pessoa, De hoeder van kudden, Amsterdam, De Arbeiderspers, 2003

- vertaling uit het Portugees: August Willemsen -

*Alberto Caeiro was Pessoa's belangrijkste heteroniem; een vorm van een schuilnaam of pseudoniem, waarbij een auteur een fictieve (schrijvers)persoonlijkheid creëert, soms als afsplitsing van zichzelf. Ofwel: een pseudoniem is een andere naam voor het eigen ik, een heteroniem kan worden opgevat als een eigen naam voor een 'ander' ik.

Tot



JA LIEFSTE




Ja liefste     Tot mijn lippen bloeden
Tot het plafond naar beneden komt
Tot de nacht wit wegtrekt
Tot de katten in de tuinen krijsen
Tot het licht de ramen openschuift
Tot er vogels door de kamer vliegen
Tot de buren over het balkon klimmen
Tot de fietsers op straat stilstaan
Tot het wolkendek openbreekt
Tot alles blauw is
Tot alles rood wordt
Tot de tijd ontploft
Tot mijn hart stopt



© K. Michel



Uit: K. Michel Ja! Naakt als de stenen, Amsterdam, Meulenhoff, 1989

Voorbijgaand geklos, godzijdank




BAD- EN ZWEMINRICHTING 'DE REGENTES'

De badknecht had een oor

waar nog een North State
achter paste.

Hij hielp de tijd voort
op een klok
die niet echt liep

verbood
als ooit zijn club verloor
een naar het matglas opgalmende aria.

Weer in dat broeierige hokje;
je vangt in tegels soms een glimp op
van jezelf, ontdekt

sporen van roest. Een nutteloze plug.
Met ribbelige vingers
wrik je hem eruit.

Schuim daalt langs haar rug.
Je volgt haar hand, de welving
van haar buik.

Vlug naderend geklos.
Dat godzijdank voorbijgaat.
Het kletteren van hangsels

later. Nog hoor je wel
in zinken emmers
het snel stijgen van water.


© Cees van Hoore


Uit: Cees van Hoore Groot licht, Amsterdam, De Harmonie, 1983

dinsdag 29 juli 2008

In een vaas


ZE IS VERSCHROMPELD TOT BEZOEKUUR



Ze is verschrompeld tot bezoekuur;
op de tijden dat het haar geliefden schikt
schrikken haar vissenogen even wakker
uit hun dommelslaap en lacht zij haar gebit
van kunststof venusbloot, als dit
niet op het kastje ligt te grijnzen.

Ze hoort gewillig steeds dezelfde vragen,
Of het goed gaat, zo'n relatief begrip
maar haar begrip is even onbeduidend,
dus ze knikt; praten gaat niet meer
en alles wat ze zegt wordt toch
voor zoete koek geslikt. Dus kraait ze

Dat het aldoor heeft geregend.
Dat de bloemen zijn verdord, maar nee
daar staat alweer een nieuwe bos
te glanzen in de vaas. De tijd verglijdt
zo traag en haar kinderen zijn nee maar
nog steeds in leven. Want ze kunnen
als ze willen weg en blijven. Toch nog even.



© Hagar Peeters



Uit: Hagar Peeters Genoeg gedicht over de liefde vandaag. Amsterdam, Podium, 1999

Ergens bij een uitgang, maar je weet niet welke



VIER MANIEREN OM OP IEMAND TE WACHTEN



1


Zittend. Denkend aan liggen. Je handen
strijken rimpels in het tafellaken glad
rond een gerecht dat moeilijk en te veel
voor twee en niet als op het plaatje is,
maar ruikt, het ruikt de ramen uit, het
doet zijn best niet in te zakken, zoals
een ingehouden buik niet bol te zijn -
ook andersom is vergelijken.

2

Lopend. Bijvoorbeeld naar de ramen
en terug en toch weer naar de ramen,
omdat geluid zich buigt naar wat je
horen wilt, maar het niet is. Er danst
een stoet voorbij, verklede mensen die
iets onverstaanbaars juichen, van elkaar
goed weten hoe ze heten en te kijken
dansen dat je kijken moet.

3


Staand. Bij een ingang, uitgang waar je zei
dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
of die of deze. Van blijven staan komt
niemand tegen, maar met bewegen
wordt haast bereikt wat net verdween.
Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
beweegt en wie dan wie wanneer
en van hoe ver weer ziet.

4


Niet.



© Joke van Leeuwen


Uit: Joke van Leeuwen Vier manieren om op iemand te wachten Amsterdam,
Em. Querido's Uitgeverij, 2001 (titelgedicht, ook bekroond met Gedichtendagprijs 2001 )

zaterdag 26 juli 2008

Van het reddeloze soort


MEN MOET


Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,

maar men moet wel een beetje verloren zijn -
van het reddeloze soort -
anders zou men alleen maar gelukkig zijn,

toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,

anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig
altijd.


Toon Tellegen


Uit: Toon Tellegen Daar zijn woorden voor - een keuze uit de gedichten. Amsterdam, Muntinga, Rainbow Essentials, 2007

maandag 21 juli 2008

Een kuil voor een vlinder




MEN MOET


Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedpas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -

© Gerrit Kouwenaar


Uit: Gerrit Kouwenaar De tijd staat open, Amsterdam, Querido, 1996

woensdag 16 juli 2008

Muziekles voor later


DE WEEK VOORDAT


De week voordat mijn moeder gehaald werd
op haar duikadres was ik bij haar met
mijn zoontje
elf maanden oud

ze nam hem op schoot
hield hem met een hand omklemd en
legde met de andere een plaat op de grammofoon
wil je even? vroeg ze mij
ik liet de plaat spelen
mijn zoontje begon te schommelen
zie je wel
zei mijn moeder
hij is muzikaal
na de oorlog zal ik hem muziekles geven

en week later was ze opgesloten in
het huis van bewaring en bij haar
vervoer naar westerbork stuurde ze een
kladje met het gaat mij goed

toen we een jaar later
haar bezittingen kregen
vonden we haar kalender
verwisselbare kaartjes in een houder
hij was blijven staan op veertien april

alleen dit kaartje was vergeeld.


LIZZY SARA MAY


Uit: Lizzy Sara May Gebruikspoëzie. Amsterdam, De Bezige Bij, 1978

dinsdag 15 juli 2008

Goede raad



- kaart met 'lichtje' van uitgeverij Cossee -

Uw voeten zweefden (boven de bladeren)



DE MOOIE DAME



Mooie Dame, U die zich in Lourdes en Fatima aan de kinderen vertoonde.

Het meest verbazend was toen, zoals de kinderen zeggen,
Uw onuitsprekelijke gratie.

Alsof U eraan wilde herinneren dat de schoonheid
een van de componenten van de wereld is.

Wat ik kan bevestigen - ik was in Lourdes,
als pelgrim bij de grot, waar de rivier ruist
en in de schone lucht boven de bergen een tipje van de maan te zien is.

U stond, zeggen de kinderen, boven een niet zo hoog boompje,
maar Uw voeten zweefden ongeveer tien centimeter boven zijn bladeren.

U had geen lichaam als een geestverschijning, U was van immateriële materie,
en de knoopjes van Uw jurk waren scherp te onderscheiden.

(...)

Ik vroeg U om een wonder, maar ik was mij er ook van bewust

dat ik uit een land kom waar uw sanctuaria dienen
om een nationale hersenschim te versterken
en de mensen zich, wanneer de vijand binnenvalt,
onder uw bescherming stellen, als van een heidense godin.

(...)

Mijn aanwezigheid hier werd vertroebeld door de plicht
van de dichter, die zulke primitieve voorstellingen niet mag bijvallen.

Maar niettemin trouw wenst te blijven aan Uw ondoorgrondelijke intentie
om U te vertonen aan de kinderen in Lourdes en Fatima.


Czesław Miłosz



Uit: Czesław Miłosz Theologisch traktaat - vert. Gerard Rasch. Amsterdam/Antwerpen, Atlas, 2006

Czesław Miłosz (1911 - 2004) is een van de belangrijkste Poolse dichters van de twintigste eeuw. In 1980 kreeg hij voor zijn oeuvre de Nobelprijs voor de Literatuur.

De haat-liefderelatie van Miłosz met Polen, de Poolse taal en de Poolse cultuur, in zijn werk is misschien niet zo vreemd - gezien zijn levensloop. Miłosz werd geboren in een oude Pools-Litouwse familie in wat nu Litouwen is, maar destijds deel uitmaakte van het Russische rijk. Zijn jeugd op het idyllische platteland - onaangetast en vol ruige natuur - stond in schril contrast tot de verschrikkingen van de Russische revolutie en de Tweede Wereldoorlog in Rusland die de dichter vervolgens meemaakte.
Later werd hij cultureel attaché in Parijs - hij werkte er in dienst van zijn land. Hij voelde zich echter genoodzaakt met Polen te breken en vroeg politiek asiel aan in Frankrijk. Uiteindelijk kwam hij terecht in de Verenigde Staten.

Na de val van de communistische Muur in 1989, keerde hij - inmiddels in het bezit van de Amerikaanse nationaliteit - terug naar Polen. Van hemelse en helse jeugdherinneringen, vele vaderlanden, twee moedertalen, jaren van ballingschap en een eveneens dubbele relatie met zijn oude katholieke geloof en het katholicisme, getuigen de gedichten in Theologisch Traktaat. "Ik ben geen bezitter van de waarheid en wil het ook niet zijn.// Dwalen langs de randen van de ketterij past mij uitstekend," aldus Milosz in het openingsgedicht Ik ben geen in deze bundel.

Tussen de lakens


PLINT in Eindhoven, gedreven door vrouwen met fingerspitzengefühl, is er groot mee geworden. Met gedichten gedrukt op kaarten, posters, textiel. Inmiddels zijn er meer, vaak kleinere uitgevers die de poëzie als drukwerkgadget hebben ontdekt. Dichterlijke servetten, zoals hier eerder bij "Aan Tafel", altijd een origineel weggevertje!

Voor de liefhebbers, uit de Plintreeks Poëzie om te kussen - kussenslopen met afdruk op watervaste inkt - nog deze uit het werk van P.C. Hooftprijs-winnaar Pierre Kemp (1886-1967). Toegegeven, er zijn minder comfortabele manieren om in bed te worden verwelkomd.

Meer ideeën bij: http://www.plinternet.nl/

Slapen gaan

Er speelt nog een witte gedachte
tussen de bladeren en de maan.
Ik lig nog op iemand te wachten
om samen een droom aan te gaan.
In dromen staan dingen geschreven
en andere dingen gedrukt,
die in het eenvoudige leven
mij nooit zijn gelukt
...

PIERRE KEMP

Aan tafel



Poëzie kan altijd en overal worden geserveerd!


Met dichtregels bedrukt textiel, steeds stof tot nadenken.

Zie ook http://www.terrijntje.nl/

= bedrukte linnen servetten verkrijgbaar in de betere boekwinkel, dit exemplaar op de kop getikt te Gent (B.), in Willy Tibergien's fraaie PoëzieCentrum =

Weet zij veel wie Anquetil is



Marina di Pietrasanta




Gastone rolt in korrels zand
Wriemelt zich door
Wielergekke vaders
Aangelegde tunneltjes
Op een middag aan het strand

Mannennagels tikken tegen
Plastic balletjes
Met fotootjes van Charly Gaul*
Federico Bahamontes*
Die botsend voortbewegen

Soms het rulle spoor verlaten
Daar ligt Ercole Baldini*
Naast haar ingesmeerde benen
Mama zont
En heeft niets in de gaten

Mijn zus van negen in bikini
Zwemt weet zij veel wie
Jacques Anquetil* is
Intussen speelt haar grote broer
Een zomer lang Nencini*

- "huisdichter Cornelis"



* wielerhelden uit de jaren vijftig/zestig van de 20e eeuw

in: De Muur, nummer 18/oktober 2007, literair wielertijdschrift, Veen, Amsterdam.


In deze aflevering eveneens een fraaie reportage over Elvira/Willy De Bruyn, een Belgische wielerkampioen(e) met masculine hormonen, die in de jaren dertig in de vergetelheid raakte nadat ze na een lang juridisch gevecht haar meisjesnaam inruilde voor die van een man ("Willy de Bruyn, wereldkampioene").
In hetzelfde nummer ook een artikel van Erik Brouwer met de onthulling: "Ernest Hemingway was een coureur."

Nee



JONGE SLA




Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.


Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.


© Rutger Kopland


'Jonge sla', over de kunst van het vertalen - uit: Rutger Kopland Alles op de fiets
Amsterdam, Van Oorschot, 1969